index --- bio/bibliografie --- gedichten --- recensies --- interviews --- contact --- gastdichters
Victor Vroomkoning

Victor Vroomkoning werd in 1938 in Boxtel geboren als Walter van de Laar.
Hij studeerde Nederlandse taal- en letterkunde en filosofie te Nijmegen. Tot
1995 was hij werkzaam in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs. Hij is
medewerker van het Kritisch Literatuur Lexicon (inzake de schrijvers A. Alberts
en Frans Kusters). Een enkele andersoortige publicatie daargelaten, publiceert
hij uitsluitend gedichten. Zijn werk verschijnt regelmatig in een groot aantal
Vlaamse en Nederlandse literaire tijdschriften. Vroomkoning was 8 jaar jurylid
van de Kunstbende (afd. Gelderland), was juryvoorzitter van de Johnny van
Doornprijs (die hij uitreikte aan Carla Bogaerts en Simon Vinkenoog). Inmiddels
is Vroomkoning 12 jaar voorzitter van de Bibliotheek Nijmegen Literatuurprijs
(voorheen SNS-literatuurprijs). Hij maakte tien jaar deel uit van het Literair
Café O’42 te Nijmegen, was redactielid, verzorgde literaire avonden en zat in de
redactie van Zaal Zes, het literaire programma van Lux. Behalve voordrachten
verzorgt Vroomkoning workshops, begeleidt hij aankomend en gearriveerd talent,
jureert en opent exposities. Verder is hij bestuurslid van ‘Isengrimus’
(Boongezelschap ter behartiging van vooral Vlaams werk) en lid van de
Maatschappij der Nederlandse letterkunde.
Victor Vroomkoning heeft tal van literaire onderscheidingen op zijn naam staan
waaronder:
Pablo Nerudaprijs (Gent, 1983)
WABO-prijs voor poëzie ( Brussel, 1984)
Poëzieprijs Literaire Instuif Haarlem (1985)
Kunstprijs van Lint/ Antwerpen (1999)
Poëzieprijs van de stad Harelbeke (2001)
Pieter Geert Buckinxprijs (Kortessem, 2003)
Zilveren Kei (de Culturele Prijs van de gemeente Boxtel, 2004)
Onder
zijn heteroniem Stella Napels won hij de
Blanka Gijselenprijs (Sint-Martens- Latem , 1995).
"Vroomkoning is een sympathiek dichter. Hij is geen vuurspuwer, hij zet niet in
elk gedicht zichzelf op het spel, hij doet geen adembenemende dingen met taal,
maar hij kijkt nogal goed, is sober, niet ongevoelig en niet oncynisch en
noteert dat alles met een pen die nooit dik
wordt" (Herman de Coninck in De Morgen)
"… een authentiek geluid in de kakofonie van de Nederlandse poëzie" (adviescommissie voor de Karel de Grote-prijs)
Ik ontmoette Victor Vroomkoning voor het eerst in 2004 tijdens de nominaties van de Bibliotheek Nijmegen Literatuurprijs. Als lezer trof hij mij vooral met zijn gedicht Bedrijvigheid waarin een werkelijkheid wordt geschetst die volgens mij ‘rond’ is, zonder dat ze hermetisch gesloten is. Het wezenlijke voor Vroomkoning is dat de werkelijkheid bestaat uit een beperkt aantal relaties, die alle datgene in zich dragen wat de dichter in eerdere interviews de ‘onontkoombare breking’ noemde. Vroomkoning heeft dit gedicht in een recent interview met De Contrabas zijn persoonlijk ‘poëtisch manifest’ genoemd.
BEDRIJVIGHEID
Ik heb veel
meegemaakt.
Vanaf mijn eerste dag
zocht ik mijn ouders
in mijn ouders tot hun
oogopslag vanmorgen.
Ook leefde ik veel levens
tussen vrouw en kinderen,
kreeg steeds kennis aan
de vrienden die ik had.
Onderwijl bereisde ik
de halve wereld in mijn
land, verhuisde aldoor in
mijn stad en zwierf door
de vier tuinen van mijn
tuin. Ik keek mijn ogen
uit naar het weekdier
in mijn dagelijkse bad,
herlas mijn twintig boeken
twintig maal, herschreef
mijn honderd verzen
onophoudelijk en had lief
alsof ik nooit had liefgehad
© 1999 Victor Vroomkoning
UIT RIJDEN
Vroomkoning stuurde mij voor dit artikel en interview het volgende, nieuwe
gedicht:
OM
DE BEURT
En het geschiedde in de vrije jaren zeventig
dat de Buwalda’s helemaal uit Groningen
ten behoeve van partnerruil met doosje en
apparaat voor onze Gelderse deur verschenen.
Nadat mevrouw zich weldra bloot als een vis
op ons vloerkleed had uitgestrekt, begon meneer
een preekbeurt over het hoe en het wat van het wad
dat hij tegen een vrijgemaakte wand projecteerde.
Terwijl ik aan zijn vrouw zat, raakte de
mijne verstrikt in de netten van de droog-
kloot in geitenwollen sokken en open sandalen.
Eindelijk een vent die van haar af bleef.
Jaren later begreep ik de draagwijdte van zijn
vertoog: soms was het wad, meestal was het
niet. Wij hielden het op den duur niet droog
werden schipbreukelingen zonder compassie.
© 2006 Victor Vroomkoning
In het interview dat ik met hem had, stelde ik Victor Vroomkoning de volgende vragen:
Mijnheer
Vroomkoning, u stuurde mij voor dit interview een nieuw gedicht: Om de beurt.
Waarom juist dit gedicht?
Het
laatste gedicht moet altijd het beste zijn, houd ik me voor, vandaar Om de
beurt.
Daar komt bij, dat dit vers na lezing voor een volle schouwburg flink wat
reactie te weeg bracht. Het gedicht handelt over de vrije jaren zestig-zeventig
waarin (althans in mijn milieu) partnerruil usance was. De afloop is bekend: er
kwam een scheidingsgolf over ons land. De gebruikte metaforiek sluit daarop aan,
waarbij ik de klankovereenkomst tussen ‘wad’ en ‘wat’ goed kon gebruiken. Zoals
in veel van mijn gedichten is het me ernst, hoewel de toon vrij licht gehouden
is.
De adviescommissie voor de Karel de Grote-prijs roemde in uw werk met name de
kleine, intieme dingen van het leven: ouders, jeugd, liefde en dood. “Zijn
gedichten roepen bij de lezer herinnering en herkenning op.”
Anderzijds associeert uw publiek u algemeen met uw heteroniem Stella Napels. Om
nog even bij Om de beurt te blijven: u publiceerde niet alleen als Stella Napels
erotische poëzie. Ook onder de naam Victor Vroomkoning verscheen al eerder
erotische poëzie, zoals in 1992 in de door Schouten samengestelde bloemlezing
Met de hand. En meer recenter werd in 2003 in een themanummer van Parmentier een
ruime keuze van deze gedichten opgenomen. Wat opvalt, is dat uw erotische
gedichten zo uitgesproken en ondubbelzinnig zijn, dat je ze als lezer bijna als
tegenhangers ervaart van uw ‘andere’ poëzie. Is er sprake van een schisma binnen
uw poëzie, of geven de erotische gedichten op een eigen wijze uitdrukking aan
jeugd, liefde, eenzaamheid … dood?
Voor de goede orde: in Met de hand zijn van mij Onweer en Lourdes opgenomen. Daarvóór had het in Nijmegen verschijnende blad Parmentier al een aan masturbatie gewijd nummer het licht doen zien (jaargang 2, nr.1/2). In 2003 (jaargang 12, nr. 2) verschijnt opnieuw in Parmentier erotische poëzie, maar nu niet beperkt tot ‘en ik ruk en ik ruk en ik ruk’ (een van de tussentitels van Met de hand). In een aparte afdeling, Dossier Porno, vent een tiental auteurs (inderdaad) pornografie uit. Van Vroomkoning werden 7 gedichten opgenomen, van Stella Napels één, gevolgd door een door Dirk de Hond (= Hanz Mirck) aan haar opgedragen vers.
Veel
achtenswaardige dichters hebben zich gewaagd aan scabreuze, priapische verzen.
Je kunt niet altijd in je ivoren torentje blijven neerkijken, je wilt ook wel
eens onder het volk.
In mijn werk ligt nogal eens een soms verhuld, soms meer uitgesproken laagje
seksualiteit of erotiek. Onverhuld is dat aanwijsbaar in Lippendienst (1997), de
bundel van mijn vrouwelijk alter ego, Stella Napels. Driekwart eruit was al in
De Revisor gepubliceerd, het hele manuscript al onderscheiden met de Blanka
Gijselenprijs, ook de eerste besprekingen waren positief, totdat men ging
twijfelen aan de authenticiteit van de auteur en men na enig zoekwerk bij mij
uitkwam. Toen was het hek van de dam, het journaille stortte zich op de
onthulling: dit kón niet; de bundel werd afgedaan als pornografisch en daarmee
was de kous af. Stella Napels zou nooit meer één vers afscheiden.
Al
lang wilde ik een bundel erotische gedichten schrijven, moeilijk genre, in het
Nederlands taalgebied nauwelijks beoefend. Morriën en Zwagerman hebben zeker hun
verdiensten op dit terrein, en zo is misschien nog een handvol dichters te
noemen, maar een hele bundel in dit precaire genre heeft nauwelijks voorbeelden.
Om het mezelf nog moeilijker te maken, ging ik schrijven vanuit een vrouwelijk
ik, dat in de bundel afrekent met een minnaar die haar tijdens hun verhouding
gemaltraiteerd had. De bundel ís de afrekening.
Ik
schreef de verzen onder mijn moeders naam, Mathilde Lippens. Onder die naam
staan ze alle in De Revisor, onder die naam won ik er de Blanka Gijselenprijs
mee. Mijn moeder wist overigens van niets. Toen er een bundel aankwam, nam ik
Stella Napers als heteroniem, omdat ik de naam van mijn moeder liever niet op
het front van een bundel sterk erotische poëzie terugzag; dat vond ik te veel
van het goede. Daar heb ik later wel spijt van gehad, want toen zij ervan
hoorde, had ze graag in de belangstelling gedeeld!
Eros en Thanatos vormen het onafscheidelijk duo in tamelijk wat van mijn verzen. Het zijn de drijfveren in al onze daden, in al ons laten, in ons hele bestaan.
U studeerde Nederlandse taal- en letterkunde en later filosofie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, debuteerde – vrij laat - in 1983 met twee gedichtenbundels: De einders tegemoet en De laatste dingen. Tot 1995 werkte u in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs. U hebt mij eens verteld dat de wrijving tussen uw werk als docent en uw dichterschap, de woekering met tijd toen u nog voor de klas stond, vruchtbaar is geweest. Hebt u in dat opzicht een soort balans ervaren, of welke karakterisering is hier op zijn plaats?
Ja,
toen ik in 1980 serieus werk ging maken van mijn dichterschap (ik had vanaf de
middelbare school wel gedichten geschreven, maar nooit aan een oeuvre gewerkt),
kwam mijn professie me goed uit.
Dat hield me op de dag van mijn verzen af, zodat ik daarna fris en verlangend
kon gaan schrijven. Ik denk -ik ben nu in een levensfase dat ik dat zonder
omwegen kan zeggen- dat afwisseling en tijdgebrek goede voedingsbodems zijn
voor het schrijfproces. Ze houden je waakzaam en doelmatig.
Nu ik buiten het arbeidsproces leef, ervaar ik ruimte van tijd niet steeds als
zingevend. Het ontstaan van een vers is gebaat bij een zekere concentratie, door
een deadline, een uitdaging, een tekort aan tijd. Werk naast mijn dichterschap
(al is dat langzamerhand mijn werk geworden) heb ik altijd als creatief ervaren,
noem het maar kruisbestuivend.
Inmiddels hebt u een groot aantal dichtbundels op uw naam staan, waarvan
Stapelen voorlopig de laatste is. Hoe hebt u de bekroning van Stapelen zo kort
na het verschijnen ervan, ervaren. En wat betekent voor u een publieksprijs voor
poëzie?
Dat Stapelen
een vrij geslaagde bundel is, wist ik al, omdat een groot aantal gedichten uit
die bundel bij voordrachten op een mooie respons kon rekenen. Ik heb zelf
bescheiden actie gevoerd voor de Publieksprijs 2005. Op het einde van de
verkiezing had Stapelen een overtuigende voorsprong op de andere bundels.
Ik ben ervan doordrongen, dat vooral de vadercyclus én de erotisch getinte
verzen tot de uitverkiezing hebben bijgedragen. Je schrijft weliswaar over je
eigen vader, je eigen liefdesperikelen, maar als je dat een beetje goed doet -
in mijn geval gaat dat bijna steeds gepaard met een vleug ironie, een bepaalde
afstandelijke reserve - schrijf je over ieders vader, ieders liefde.
‘Herkenning’ is steeds een terugkerende reactie van lezers.
Ik vind de toekenning heel prettig; er stonden zo’n 140 bundels op de lijst, dus
mag Stapelen best gezien worden. Ik hoop, dat dit ook het geval zal zijn
met eerder werk. Mijn uitgever is in ieder geval dik tevreden. Omdat mij in
dezelfde week de Karel de Groteprijs werd toegekend (oeuvreprijs van mijn
woonplaats Nijmegen), was het dubbel feest. Overigens heb ik over
onderscheidingen niet te klagen.
In Stapelen lijken alle thema’s van eerdere bundels aan bod te komen: jeugd, ouders, erotiek, liefde en dood. Alles lijkt hier ook in een nauwe samenhang met elkaar. Waarin onderscheidt Stapelen zich van zijn voorgangers, en hoe zou u uw laatste dichtbundel zelf willen typeren?
Ik vind zelf, dat er niet zoveel onderscheid tussen mijn bundels is. Ze hebben alle het intieme tot thema. In Stapelen staat de vaderfiguur (de bakker) in het brandpunt, in de voorgaande bundel, Bij Verstek, was dat de moederfiguur. Maar al eerder schreef ik over hen, vooral in Klein Museum, mijn meest gecomponeerde bundel. De bundel is létterlijk het klein museum waarin ik mijn ouders terugzie, herdenk. Toen Herman de Coninck bij de presentatie de bundel inleidde, was hij er stomverbaasd over mijn vader lévend aan te treffen, want in de bundel is hij dood. Daarmee heb ik maar weer eens gezegd, dat ik mijn stof weliswaar put uit de dingen om me heen, dat ik dus autobiografische uitgangspunten heb, maar dat ik daar vervolgens naar eigen goeddunken mee omspring. Voor Klein Museum, dat begint met mijn genese, was het nodig, dat mijn vader daarin stierf. Zo was de cirkel rond.
Ik word ouder en dat is af te lezen aan mijn bundels. Stapelen eindigt met het gedicht Hein, waarin de gepersonifieerde dood je op komt halen. Daarvóór staan twee gedichten die in hun titel daarop preluderen: ‘70’ en ‘80’.
Als ik al een typering voor de bundel moet geven, is het die van: weemoedige terugblik; beetje in filosofie gedrenkte pen die over (inderdaad) Eros en Thanatos schrijft.
Naar aanleiding van het verschijnen van uw vorige bundel Bij verstek schreef Bert van Weenen in Meander dat neerlandici nogal eens dichtbundels maken die vooral uitblinken door het gebruik van technisch volmaakte taalconstructies, maar zonder enige zeggingskracht zijn. Volgens Van Weenen vormt u hierop een uitzondering, en hij verklaart dit uit het feit dat u behalve neerlandicus ook filosoof bent: daardoor hebben uw gedichten ‘body’. En als ik me niet vergis, hebt u zelf ooit opgemerkt dat het jammer is dat er zoveel dichters Nederlands gestudeerd hebben. Zou u hierover iets willen zeggen?
In het verlengde van de vorige vraag: hoe kijkt u als dichter aan tegen zaken als techniek en vorm. Wie zijn hierin eventueel uw voorbeelden. En hoe belangrijk is spontaniteit binnen een gedicht?
Ik
ben wellicht de beroemdste dichter van Boxtel, die van Nijmegen heet H.H. ter
Balkt. Maar wat dan nog? Het is natuurlijk plezierig, als je werk gewaardeerd
wordt, dat je hier en daar een aai over je bol krijgt, maar roem duurt een maand
misschien en je verzen worden er niet beter van. Maar uiteraard ben ik vereerd
met de belangstelling die men in Boxtel voor mijn werk aan de dag legt. In 2004
ontving ik op Gedichtendag de Zilveren Kei uit handen van de burgemeester, de
Cultuurprijs van mijn geboortedorp.
Ik vind doorgaans de Vlaamse poëzie warmer, hartelijker, de Nederlandse
cerebraler. Daar staat tegenover dat in Vlaanderen toch ook hermetische dichters
huizen, er in Nederland veel toegankelijke verzen geschreven worden, vooral de
laatste jaren weer. Het is wel typerend, dat nogal wat beschouwers menen, dat
mijn poëzie Zuid-Nederlandse trekken heeft. Dat weet ik niet, wel de
omstandigheid, dat mijn moeder in Antwerpen werd geboren.
Zoals ik al gemeld heb, schrijf ik over de dagelijkse, alledaagse dingen die
zich tussen mensen voordoen. Ik woon in Nijmegen, de noordelijkste stad van het
zuiden, de zuidelijkste stad van het noorden, in ‘de navel van het land’. Dat
daar sporen van in mijn gedichten aanwijsbaar zijn, lijkt me niet uitgesloten.
Regionale thematiek komt echter niet voor in mijn werk, dialecten blijven
erbuiten. Het enige dialect dat ik spreek is het Brabants, maar hoe dicht ik in
bijvoorbeeld Stapelen mijn jeugd ook nader, het dialect is alleen
sprééktaal, geen schrijftaal voor mij.
Mijnheer Vroomkoning, ik wil u heel hartelijk danken voor dit interview.
©
2006 Peter W.J. Brouwer
Belangrijkste publicaties van Victor Vroomkoning:
1983 ‘De einders tegemoet’ (De Stiel, Nijmegen) / 1983 ‘De laatste dingen’ (Wel,
Bergen op Zoom) / 1987 ‘Klein museum’ (Agathon, Houten) / 1990 ‘Echo van een
echo’ (Manteau, Antwerpen-Amsterdam) / 1993 ‘Oud zeer’ (Manteau,
Antwerpen-Amsterdam ) / 1999 ‘IJsbeerbestaan’ (De Arbeiderspers, Amsterdam) /
2000 ‘Verloren spraak’ (Fado Press, Tilburg) / 2002 ‘Bij verstek’ (De
Arbeiderspers, Amsterdam) / 2005 ‘Stapelen’ (De Arbeiderspers, Amsterdam)
Onder het heteroniem Stella Napels verscheen:
1997
‘Lippendienst’ (De Arbeiderspers, Amsterdam)
Andere publicaties:
1969
‘Manja, een Bijbels spel’ (niet uitgegeven, wel enige malen opgevoerd o.a. door
de Toneelacademie in Maastricht)
1984 ‘Circuit des souvenirs’ (verhaal) in: Margreet Janssen Reinen en Michiel
van Kempen , Helias achterna (Dekker van de Vegt, Nijmegen)
1995 ‘Een zucht als vluchtig eerbetoon’ (Meulenhoff-Manteau,
Amsterdam-Antwerpen), een bloemlezing van funeraire poëzie die in samenwerking
met collega-dichter Jos Versteegen ontstond
2004 ‘Het Formaat van Waterland’
(Recto Verso, Ooij), een dubbelportret van het rivierenlandschap van de
Ooijpolder en de Over-Betuwe in foto’s en gedichten in samenwerking met
fotograaf Hans Bol
2005 ‘De lege plek van Bert Kooijman’ (essay) in: Poëziekrant 5, jaargang 29
(september-oktober), pag. 20-24.
Publicaties o.a. in de volgende literaire tijdschriften:
Maatstaf, De Revisor, Tirade, De Tweede Ronde, Nieuw Vlaams Tijdschrift, Nieuw Wereld Tijdschrift, Poëziekrant, Parmentier, Vlaanderen, Zefier, Diogenes, Restant, Deus ex machina, Yang, Dietsche Warande & Belfort, Bzzlletin, Preludium, Kreatief.
In
opdracht schreef Vroomkoning o.a.:
1989 ‘Tijdrit’
(over Groesbeek) in: Gelderland in proza, poëzie en prenten ( St. Beeldende
Kunst Gelderland, Arnhem)
1995 ‘Boxtel’ in: Noord-Brabant in proza en poëzie en prent (Het Noordbrabants
Genootschap, ’s-Hertogenbosch)
1997 ‘Liefste’ in: Br.O.Nr., brieven met postzegels naar De Brief van Vermeer
(GBK,Arnhem)
2004 ‘Weerzien’ t.g.v. 15-jarig bestaan van het Taborhuis (Groesbeek) .
2005 ‘Stapelen’ in: Antoine van der Maesen, Nederland een gedicht, Impressies in
beeld en taal (Mantinge),
2004 ‘De rebellenclub’ (proza) in: Brabants Centrum 60 jaar
2005 ‘Goffertpark’ voor expositie Verstild Nijmegen tgv. 2000 bestaan van
Nijmegen, opgenomen in: de Agenda 2006 van het Cultuurhistorisch platform
(galerie Stills,Nijmegen)
Voorts verscheen van zijn hand een aantal gedichten bij werk van beeldend
kunstenaars (kalenders, zeefdrukken, etsen, foto’s).
Vroomkoning publiceerde in 2006 als stadsdichter (Nijmegen) een aantal gedichten
o.a. in de dagbladen.
Publicaties o.a. in de volgende bloemlezingen:
Groot
Gezinsverzenboek
Het mooiste gedicht
Met de hand
Spiegel van de Moderne Nederlandse Poëzie
Meulenhoffs Dagkalenders
Komrij’s Bloemlezing
Met het oog op morgen
Liefdeswerk
Turning Tides
Zie de stille minuut van de roos
Alles voor de liefde
Het is vandaag de datum
Geen dag zonder liefde
Geluk dat kan wel jaren duren
Nog één keer door die hoge gang
Soms raakt de zee van liefde puur verstild
Familie duurt een mensenleven lang
De mooiste sonnetten van Nederland en Vlaanderen
De geur van ieder seizoen
In vers
Route 65
Het geluid van de lente
Verlangen naar beter
Blauwe reiger
Niet te stelpen licht
Zeg zacht mijn naam
Met gekleurde billen zou het gelukkiger leven zijn.
Brabant, dichterlijk belicht
Dichter bij Anne
November
Ik draag je in mijn hart
We weten elkaar altijd te vinden
Antwerpen
Den Haag
Gedicht aan de reiziger
De beste gedichten van 1999, 2002 en 2005.
Seks, de daad in 69 gedichten
Zinnenstrelen
Hoe wordt je halfopen mond gedicht
Ouder
Kraaien verjagen
Langzaam juichen
Klotengedichten
Nooit te laat
Navel van ’t land
Een koud paradijs
Ook wij waren winnaars
Druif en Droesem
Door de hand van Rembrandt
Waar ik naar verlang
Met het oog op morgen
Nooit te vangen met haar eigen pen , de
vrouwelijke stem in de Nederlandstalige poëzie in 200 gedichten.
Door de hand van Rembrandt
Waar ik naar verlang (99 jonge gedichten, davidsfonds leuven)
100 vaders (de 100 honderd mooiste vadergedichten
De 100 beste gedichten van 2005
Ik ben in haar liefde geborgen, gedichten over moeders
Ik blijf zijn kind, al word ik eeuwenoud
Dichter bij van Gogh
Kastanjegedichten
25 jaar Nederlandstalige poezie in 666 en een stuk of wat gedichten (1980-2005)
Secundaire
literatuur over Victor Vroomkoning o.a.:
Michiel van
Kempen, ‘Victor Vroomkoning.’ In: Kritisch Literatuur Lexicon van de Moderne
Nederlandstalige Literatuur, no. 45, mei 1992 (biografie, beschouwing,
primaire en secundaire bibliografie).
© Peter W.J. Brouwer
Dit artikel verscheen op 31 maart 2006 op
www.peter-brouwer.com.
De auteurs, alle teksten zijn auteursrechtelijk beschermd. Er mag niets worden
overgenomen zonder voorafgaande toestemming van de desbetreffende auteur.
© Peter W.J. Brouwer 2004-2007
design: Marco Kalnenek